



|

|
Mei 2012 |
 |
Ik was wel eens eerder in Venetië geweest. Maar dan
altijd maar voor een dag, waarbij je dan alleen tijd hebt
voor de toeristische attracties zoals met de Vaporetto over
het Canal Grand naar het San Marcoplein. Dit keer had ik
meer tijd om Venetië te bekijken. En natuurlijk ook de
prachtige kerken, die je dan daar zomaar tussen de slootjes
op een pleintje aantreft. Maar toen ik de reusachtige San
Giacomo en Paolo binnenging, zag ik in een linkernis een
bronzen borstbeeld. Van een man met een heel gewoon, vol
rond gezicht. En toen ik het Italiaans ontcijferd had,
begreep ik dat dit een gedenkmonument was voor Angelo
Giuseppo Roncalli, die later bekend zou worden als paus
Johannes XXIII.
Maar, zo vroeg ik aan de beheerder, het graf van deze paus
was toch in de Sint Pieter in Rome? In gebroken engels
antwoordde hij dat dat juist was, maar daarvóór was Paus
Johannes XXIII als Giuseppo Roncalli Patriarch van Venetië
was geweest. En hij wees op de kaarsjes. “En nog steeds niet
vergeten.”
Hoewel ik te klein was om het bewust te hebben meegemaakt,
herinnerde ik me wel ooit een preek van ds. Buskes over deze
paus te hebben gelezen: Johannes, de eerste paus voor wie ik
gebeden heb. (Droom en Protest, pg. 46) Als rechtgeaarde
protestant schrijft Buskes:
Al het verzet van ons protestanten tegen de rooms-katholieke
kerk wordt concreet in onze weerstand tegen de figuur van de
paus, een mens met de pretentie de stedehouder van Christus
op aarde te zijn. Dat vinden wij onaanvaardbaar en
onverdraaglijk. ( …)
Maar toen kwam paus Johannes en met hem werd alles anders.
Hem heb ik nooit een pretentie verweten, omdat hij geen
pretenties had en tot ons kwam als een volgeling van Jezus,
die niet gekomen is om gediend te worden, maar om te dienen.
Ja, hij was paus, maar we hoorden de stem van de Goede
Herder. Hij heeft ons in zijn woorden en daden laten zien,
wat geloven en kerk zijn betekenen... ik weet het... stil
maar... de rooms-katholieke kerk... maar dan toch de kerk...
de kerk van Christus!
Zo kwam ik tot de verootmoedigende en tegelijkertijd
bemoedigende ontdekking, dat ik mij vergist had. Het was
ongeloof, dat ik de rooms-katholieke kerk had afgeschreven.
Paus Johannes heeft mij doen beseffen, dat het Woord van God
zich niet in boeien laat slaan. Het Woord van God
functioneerde in dit leven en via dit leven op het Concilie
en via het Concilie in de roomse kerk. Dit is voor mij als
protestant geen reden tot teleurstelling, maar een reden tot
vreugde en dankbaarheid.
In 1963 bezocht ik Rome voor de tweede keer, natuurlijk ook
om Rome te zien, maar toch vooral om paus Johannes te zien
en te horen. Hij was de eerste paus voor wie ik gebeden heb.
Ik heb hem gezien en gehoord. In de Sint Pieter. De
wekelijkse samenkomst voor de buitenlanders. Er waren er
enkele duizenden. Paus Johannes sprak ons toe in het Frans
met die milde humor die hem eigen was. Hij begon met te
zeggen, dat hij het als een voor¬recht beschouwde ons te
ontvangen 'als, zoals ze zeggen de vader, je, zou zo
langzamerhand zeggen de grootvader, van heel de chris¬tenheid'
. Zeer persoonlijke woorden sprak de paus tot de aanwezige
christenen, die niet tot de roomse kerk behoorden, de
fratres separati, toch samen met de roomse christenen
fratres in Domino.
Wat ik met enkele herinneringen aan deze pastor bonus
bedoel? Het aansteken van een kaars voor paus Johannes
XXIII. Hem gedenk ik met eerbied en verwachting.
En dat heb ik toen ook maar gedaan. In die grote kerk in het
hart van Venetië, waar hij ooit gewoon pastor was geweest.
En als paus ook daarna was gebleven. En zo bij velen binnen
en buiten de RK kerk hoop had gewekt op een vernieuwing. Nu
precies vijftig jaar geleden riep hij totaal onverwacht een
concilie bijeen, waarbij voor het eerst ook
vertegenwoordigers van andere christelijke kerken waren
uitgenodigd. Een concilie dat de deuren van de kerk
openzette om het bij de tijd te brengen (aggiornamento).
Of zoals één van de gereformeerde waarnemers schreef: Paus
Johannes wilde geen restauratie, maar vernieuwing en
aanvaarding van de uitdagingen van de nieuwe tijd. Hij
wenste — met alle respect voor de traditie — geen
traditionalisme, dat zich beperkte tot herhaling van de oude
leer in haar boventijdelijke waarheid. Hij wilde, dat de
kerk schuil¬plaats zou blijven voor modern mensen, die met
hun vragen klopten aan de deur van de kerk en om een
antwoord vroegen. Hij wilde een andere, betere weg
aanwijzen, waarop „de bruid van Christus in onze tijd zich
liever bedient van het medicijn der barmhartigheid dan van
het wapen der gestrengheid".
In het handelen van de kerk moest zichtbaar worden, dat zij
het woord van het evangelie had verstaan, dat God Zijn Zoon
niet gezonden had om de wereld te veroordelen, maar om haar
te behouden (Joh. 3 : 17), een woord, dat Johannes meermalen
heeft geciteerd en zijn uitspraak over „het medi¬cijn der
barmhartigheid" hangt daarmee ten nauwste samen. Het
evangelie is er vol van, van die innerlijke barmhartigheid
tegenover de schapen, die geen herder hadden. Hij wilde de
indruk wegnemen, dat het in de kerk zou gaan om een kille
bejegening van dwalenden en anders-denkenden, m.a.w. dat de
kerk pastoraal — als een herder — zou zijn of — in een
wisseling van de beeldspraak — als een medicus, die na een
serieuze diagnose het medi¬cijn toereikt, het medicijn
van... de barmhartigheid. De formulering is verrassend en
men denkt bij reacties van de kerk tegenover dwalingen
meestal allereerst aan ,handhaving" van de leer der
waarheid, tucht, de opgeheven vinger, en niet aan de
barmhartigheid. Toch durfde Johannes zo spreken over de
kerk. (C.G. Berkouwer, Zoeken en vinden pg. 375)
Maar nu vijftig jaar later vraag ik me af waarom het nu in
de R.K. kerk zo oorverdovend stil is, alsof er nooit een
tweede Vaticaans concilie is geweest. Want als er ooit een
moment is geweest, waarop de geest van Pinksteren de kerk
bezield heeft, dan toch wel toen.
Gerard Rinsma
|
April 2012 |
 |
In de aanloop naar Pasen merk ik dat ik uitkijk naar de
zon en geniet van de vogels in onze tuin. Woensdag begint
officieel de lente en schudt de wereld wakker uit haar
winterslaap.
Maar het lijkt voor mij alsof die lente aan de kerk voorbij
gaat. Met elke zondag komen we juist dichter bij Jeruzalem
en het drama, dat zich daar heeft afgespeeld. Net zo in
tegenspraak, als toen op 10 mei 1940 de natuur in volle
bloei stond. Of zijn er toch verbindingen te leggen tussen
lente en Pasen?
ALS DE LENTE KOMT, DAN...
In een postuum verschenen boekje schrijft prof. Kune
Biezeveld daarover: Het was ook voorjaar. Er kwamen ook
kaarten waarin de hoop werd uitgesproken dat ik ondanks
alles kon genieten van de prachtige bloemen en de al wat
uitlopende boom-knoppen. Daar kon ik inderdaad van genieten:
van de lente in al haar beloftevol en ook kwetsbare
ontluiken. Het hoort bij de cyclus van de seizoenen en
daarmee bij het ritme van de natuur dat het leven ordent.
Geen jaar is voorbijgegaan zonder dat ik zong en liet
zingen:
'Ga uit, o mens, en zoek uw vreugd,
nu in de lente zich verheugt
al wat er leeft op aarde!
De gaarden zijn op 't schoonst gesierd,
opdat gij 't lieve leven viert,
dat God u openbaarde.' (Gezang 425:1)
Ja, in vers 7 wordt zelfs gezongen over een lentelijk
festijn in Jezus' lusthof…. Mogen we inderdaad een stap
verder gaan en zeggen dat er een relatie bestaat tussen
Pasen en de lente? Was Pasen niet van oorsprong een
lentefeest?
In de traditie van de kerk blijkt het bij de verbinding tus¬sen
Pasen en de lente ook inderdaad om meer dan een toe¬valligheid
te gaan en ik zie niet waarom dat een heidense rest zou
zijn. Symbolen die hoorden bij de oudere natuurfeesten,
zoals het lam en het brood, kregen in de Pesachviering een
nieu¬we betekenis, die ook in de christelijke viering
gehandhaafd bleef. En op sommige plaatsen wordt tot op de
dag van vandaag de paaskaars ontstoken aan het
voorchristelijke paasvuur. Ook het ei als teken van de
ontwakende natuur kon tot een christelijk symbool worden:
Christus die uit het graf verrijst zoals een kuiken uit het
ei kruipt. Soms werd het graf van Christus eivormig
afgebeeld. In paasliederen worden onder meer beelden aan de
lente ontleend. Pasen wordt vergeleken met de lente die de
natuur weer tot leven brengt (Liedboek voor de kerken:
Gezang 202, 209, 210).
Oeroude lentesymbolen werden dus tot christelijke sym¬bolen.
Daarbij ging het echter om meer dan het kerstenen van wat
natuursymbolen. Al vroeg zag men de lente ook als getijde
waarin de wereld zou zijn geschapen. Zo brengt de lente
Pasen en de schepping bij elkaar en door nog een extra stap
te zetten kon Christus' opstanding gezien wor¬den als een
nieuw begin van de schepping. In de Paasnacht werd en wordt
het scheppingsverhaal gelezen! Op de eerste dag riep God het
licht, zoals op de eerste dag van de week Christus ook als
het licht verschijnt.
PASEN ALS KWETSBARE BELOFTE
Dit alles voert me tot de gedachte dat Pasen het feest van
een belofte is, zoals de lente het seizoen van de verwach¬tingen.
'Keerde de Heer der schepping weer, dan is het te¬vergeefs
niet meer te bloeien en te minnen' (Gezang 210:3).
Eens komt de grote zomer, maar wij die van Pasen weten,
leven in de lente, waarin een knop kan openbreken, maar ook
nog kan bevriezen — we leven in de kwetsbare lente. Vrij
naar Adriaan Roland Holst: laten we maar niet te trotse, te
grote woorden spreken — hoeveel harten moesten daar¬om
breken?
Over 'dood, waar is uw schrik gebleven' las ik ergens dat
het spottende woorden zijn, om net te doen of je niet bang
bent voor de dood. Dat trof me. Bij dat kwets¬bare van de
lente past beter deze strofe van Willem Barnard (Gezang
223:2):
Gods goedheid is te groot
voor het geluk alleen,
zij gaat in alle nood
door heel het leven heen.
De hoop en het vertrouwen dat God meegaat, als een ze¬gen,
dat God je draagt en je bijstaat — die beide ontleen ik aan
de belofte die Pasen inhoudt.’
En over die belofte zegt Biezeveld: ‘Wat wel wonderlijk is
trouwens: in onze tijd schijnt op¬eens iedereen in een leven
na de dood te geloven. Of nog sterker: velen geloven dat je
eigenlijk helemaal niet dood gaat. Overledenen kijken
misschien wel vanaf een wolk of vanuit de hemel naar beneden
en volgen alles wat er hier met ons gebeurt. Of je gaat op
in een bron van energie waarmee contact te houden is met de
levenden op aarde. Soms krijg je het gevoel dat hoe
weerbarstiger de voorstel¬ling van de opstanding voor
christenen is, hoe vanzelfspre¬kender voor anderen. Dit
lijkt me toch de ontkenning van het echte, natuurlijke
doodgaan. Of klopt het weer met de graankorrel die moet
sterven om op te staan?
Maar over opstanding zeg ik toch graag eerst iets an¬ders,
iets voor in het aardse leven zelf. Als wij met Christus
zijn gestorven en opgestaan, in de doop, dan is Pasen toch
in eerste instantie de roep om een gekwalificeerd nieuw
leven. Dat wij hoopvol leven en dingen doen die daarbij
horen, verrassende, vastgelopen situaties doorbrekende
dingen. Om van daaruit te zeggen dat wij in de confronta¬tie
met de eindigheid van ons bestaan alles, ook dat einde,
toevertrouwen aan God.
Eerder had ik het over kaarten die ik ontving tijdens mijn
ziekte. Eén ervan raakte me op dat punt van die kwetsbare
lente. Er stond een gedicht op, geschreven en gestuurd door
mijn Utrechtse collega Corja Menken-Bekius. Laten we niet
meer zeggen dat het voorjaar geen taal kan leveren om het
diepste te verwoorden en zo zelf in beeldtaal bron van
kracht kan zijn.
Vertrouwen
Ik zie haar eerste bloei
nog op het kale hout
en vraag bezorgd
vanwaar die vroege groei
de nachten nog zo koud
de boom zegt niets
maar bloeit mij aan
alsof haar zachte kracht
de strengste vorsten zal weerstaan
ook deze nacht.
(Uit Kune Biezeveld, als scherven spreken, over God in het
leven van alledag, Meinema 2008, pg. 118 vv.)
Gerard Rinsma
|
Maart 2012 |
 |
Ik was onlangs op
bezoek bij een oud-collega. Hij is bijna 100, maar nog heel
helder en we raakten in gesprek over het verleden. Hij
vertelde dat hij in het voorjaar van 1940 predikant was
geworden. Direct na zijn kerkelijk examen stond een
legerpredikant bij hem op de stoep, die dringend iemand
zocht.
En zo was hij naar een klein plaatsje in Twente vlak bij de
Duitse grens verhuisd om daar de zaak waar te nemen. “Ik was
daar een maand of twee of drie”, zo vertelde hij, “en toen
brak de oorlog uit, de Duitsers trokken massaal door ons
dorp heen; allemaal vrachtwagens, die naar het Westen
gingen. Ik zou die dag een begrafenis moeten hebben, maar
ja, dat kon niet, want de weg was versperd, waardoor alles
in de soep liep; dat heeft één of twee dagen geduurd, want
de volgende dag was het ook nog allemaal colonnes. En toen
ik die begrafenis had, dat was op die middag, toen kwamen er
alsmaar vliegtuigen van uit het westen naar het oosten. Toen
bleek dat de Duisters Rotterdam gebombardeerd hadden en
terugkeerden. Dat was een rot begin. En daar heb ik ook een
vrouw moeten zeggen dat haar man gesneuveld is. Dus ik werd
er meteen goed in gegooid.”
Maar toen ik hem vroeg hoe hij terugkeek op zijn werk, zei
hij tot mijn verbazing, dat hij zijn leven toch eigenlijk
als mislukt zag. “Want,” zei hij, “ik ben in het
calvinistisch spoor gezet , waarin je eerst echt meegaat,
maar gaandeweg stuit je op allerlei dingen, die je doen
twijfelen. Op een gegeven moment zo erg dat je zegt : ik heb
het toch eigenlijk voor niks gedaan.”
“Voor niks?”, vroeg ik verbaasd? “Ja”, antwoordde hij, “ik
heb aan de verkeerde zaak gewerkt. Ik had beter filosoof
kunnen zijn. Want van de dingen, waar ik oorspronkelijk wel
achter stond, heb ik nu ontdekt, dat het toch eigenlijk
zuiver filosofie is, maar geen religie in de echte zin. En
als ik mijn eigen leven nu overzie, is het eigenlijk
verdrietig wat ik gedaan heb, om het heel sterk te zeggen:
het is nep ge-weest.”
Wanneer hij dan was gaan twijfelen, wilde ik weten. Hij
vertelde dat dat begonnen was bij die bekende tekst uit het
Mattheüs-evangelie, dat er geen mus ter aarde zal vallen
zonder de wil van uw Vader. (Mattheüs 10:29)
“Maar”, zei ik, “dat staat er toch helemaal niet! Er staat
toch alleen: zonder uw Vader?” “Ja”, zei hij, “maar die
tekst is altijd gelezen door de bril van de Catechismus. Die
leerde dat alle dingen, niet bij geval, maar van Zijn
Vaderlijke hand ons toekomen. Dus daar ging je vanuit, daar
werd over gepreekt en dat vond je letterlijk weer terug in
die oude begrafenisformule: ‘Daar het de almachtige God
behaagd heeft om onze broeder en zuster uit ons midden weg
te nemen.’ Maar als iemand zich dronken drinkt en daarna
zich tegen een boom zich dood rijdt, ik wist niet of dat de
wil van God was, dus ik heb die begrafenisformule ook maar
snel veranderd. Maar door die gedachte dat het Gods wil is”,
zei hij, “zijn wel veel mensen de loop der tijden in diepe
ellende gestort.”
EEN VROUW VAN SMARTEN
Toen ik dit zondag 5 februari in de preek vertelde, maakte
ik daarna een overgang naar de schriftlezing uit het Oude
Testament Het verhaal van de sunamitische vrouw, die van de
profeet Elisa een kind beloofd krijgt. (1 Koningen 4:8-30).
Een ongelooflijk spannend verhaal, omdat het kind, eenmaal
groot, ziek wordt thuis gebracht en vervolgens op haar
knieën sterft. Het maakt van deze sunamitische vrouw van het
éne op het andere moment een vrouw van smarten. En het werd
akelig actueel, toen ik van het ski-ongeluk van prins Johan
Friso hoorde. Op dit moment is het nog helemaal onzeker hoe
groot de kans is dat de prins zal herstellen, maar zeker is
wel, dat het van onze koningin een vergelijkbare vrouw van
smarten heeft gemaakt.
Want, schrijft prof. Heitink in zijn boek De Golfslag van de
Tijd: ‘de plotselinge dood van een kind, is voor mijn besef
het ergste wat ouders kan overkomen.’
Heitink spreekt uit eigen ervaring; ook hij verloor een
kind: ‘een volwassen zoon in ons geval.Tot hier gevorderd
moest ik mijn werk aan dit boek voor een tijdje onderbreken
als gevolg van een dieptragische gebeurtenis in ons gezin,
de dood van onze zoon. Op zo'n moment staat alles stil en
het kost veel moeite de draad van het leven weer op te
pakken. Waarom ik dit’, zegt Heitink ‘in sobere bewoordingen
vermeld? Alle theologie is tevens biografie. Het kan niet
anders dan dat zo'n groot ver-driet zijn impact heeft op wat
ik hierna schrijf. Wat ons gezin is overkomen, speelde zich
af midden in deze hoofdstukken over het Verlangen naar God,
uitgerekend op het moment dat ik zou moeten schrijven over
God en het lijden. Hoe kan God dit toela-ten?, luidde de
geplande titel.
HOE KAN GOD DIT TOELATEN?,
‘Geen goede vraag’, schrijft Heitink. ‘Laat ik eerlijk zijn,
bij wat ons is overkomen heeft deze vraag geen rol ge¬speeld.
Ik heb geen enkele reden om God hiervan een verwijt te
maken. Wij leven in een ge¬broken wereld, een
risicosamenleving waarin zulke dingen helaas kunnen
gebeuren. Dit kan iedereen treffen. Het is in mijn ogen geen
ingreep, laat staan een straf van God.’
‘Ik ben me ervan bewust’, schrijft hij verder, ‘dat ik
hiermee afwijk van de klassieke leer van Gods
voorzienigheid, die - althans in haar populaire versie -
stelt dat alles wat mensen overkomt uit Gods vaderlijke hand
ons toevalt. In dat geval mogen we in elke gebeurtenis de
hand van God zien.’ Heitink legt uit: ‘Deze beeldvorming
paste binnen een kosmische orde die heel de wereld om¬sloot.
Het zijn woorden die blijk geven van een toen sterk ervaren
afhankelijkheid. Mensen konden nog geen enkele tegenweer
bieden tegen ziekten, armoede, lijden en dood. Zij vonden
troost in deze verbeelding.
Maar’, zo vervolgt hij ‘ons moderne mensbeeld wordt eerder
gekleurd door verantwoordelijk¬heid. De mens als partner van
God heeft ondermeer de opdracht dergelijk onheil zoveel
mogelijk te voorkomen. We zien hoe mensen dagelijks in een
auto stappen of het vliegtuig nemen, dat hoort bij de
verworvenheden van de mobiliteit, maar het betekent ook dat
mensen dagelijks aan gevaren blootstaan. We beoefenen
sporten die met ongelukken gepaard gaan. We leven in een
veeleisende samenleving, waarin helaas niet iedereen tegen
het leven opgewassen is. In zo'n wereld proberen christen en
humanist, vanuit hun eigen overtuiging, het goede voor de
ander te zoeken en het kwaad waar mogelijk af te weren. We
hebben in elk opzicht veel bereikt, maar we blijven
desondanks kwetsbare mensen.
‘Kunnen we dan geen enkel beroep op God meer doen?’ vraagt
hij zich af. ‘Gelukkig wel, maar dan realiseren we ons
tegelijk hoezeer voor christenen van na de Ver¬lichting het
beeld van God ingrijpend veranderd is. Ik’, zegt Heitink,
‘kan dit het beste il-lustreren aan de hand van de bekende
theoloog Dietrich Bonhoeffer (1906¬1945), die gevangen
genomen door de nazi's en met de dood voor ogen in zijn
dagboeken over deze ingrijpende vragen heeft nagedacht.
ALLEEN DE LIJDENDE GOD KAN HELPEN.
In het gedicht Christen en heiden, gedateerd juli 1944,
lezen we heel zijn theologie in een notendop. Het omvat drie
coupletten:
Mensen gaan naar God toe in hun nood,
smeken om hulp, vragen om voorspoed,
brood, redding uit ziekte, verlossing uit schuld en dood.
Zo doet elk mens, christen en heiden.
Mensen gaan naar God toe in zijn nood,
vinden Hem arm, gehoond, geen onderdak, geen brood,
zien Hem verslonden door zonde, zwakte en dood.
Een christen staat naast God in al zijn lijden.
God gaat tot alle mensen in hun nood,
verzadigt lijven en zielen met zijn brood,
lijdt voor christen en heiden aan 't kruis de dood,
en vergeeft ze beiden.
Bonhoeffer beschrijft hier allereerst de weg van alle
religie. Waarom geloven mensen in God? Omdat we Hem kunnen
aanroepen als we Hem nodig hebben. Nood leert bidden. Daar
is natuurlijk niets tegen. Christenen en heidenen zitten wat
dat betreft in hetzelfde schuitje. Maar een christen gaat
een stap verder. Bonhoeffer voorziet het einde van de
Almachtige God.
God is anders, stelt hij in het tweede couplet, of zoals hij
elders schrijft: 'De bijbel verwijst de mens naar Gods
onmacht en lijden; alleen de lijdende God kan ons helpen'.
Wij hebben God leren kennen in de gestalte van de
Gekruisigde.
God lijdt aan deze wereld en wij mensen worden opgeroepen
zijn lijden aan deze we-reld mee te lijden. God vraagt van
ons, zoals Jezus aan zijn discipelen in de hof van
Gethsemane: Kunnen jullie niet één uur met mij waken? Zo
schreef Bonhoeffer de paradoxale zin: 'De God die met ons
is, is de God die ons verlaat." Mijn God, mijn God, waarom
hebt Gij mij verlaten?, vroeg zelfs Jezus zich af. Alleen zó
is Hij ons nabij. Met deze God moeten mensen het wagen. Hij
is de God die in Christus zwak wordt en in zijn zwakheid
laat zien dat hij machtig is.
Waar de kracht van de mens het laat afweten, daar is God
genadig aan¬wezig. Dat is bepalend voor ons leven als
mondige mensen, midden in deze wereld. Dat heet christelijk
geloof. Zo schrijft hij in deze zelfde dagen: “je wordt geen
christen door religieus te handelen, maar door, levend in de
wereld, te delen in Gods lijden." Daarover gaat het derde
couplet. Op deze wijze over God spreken kan lijken op een
uitvlucht, maar voor een gelovige blijft God een toevlucht.
‘Bonhoeffer’, schrijft Heitink,
‘had geen makkelijk praten. Hij worstelde met deze vragen
met de dood voor ogen. Maar hij wist zich 'door goede
machten trouw en stil omgeven, behoed, getroost, zo
wonderlijk en klaar...' (Gez. 398,1). Dit is een andere
wijze van spreken over God. Als er één is die weet wat het
betekent een kind te verliezen, dan is het God wel. juist in
hun lijden wil hij mensen nabij zijn. Hij lijdt met ons
mee.’
En dat laatste wens ik de koningin, heel de Koninklijke
familie, maar ook alle andere, die het dierbaarste in hun
leven verloren hebben, van harte toe.
(bron: Gerben Heitink Golfslag van de tijd, Europa’s niet te
stillen verlangen naar God, Utrecht 2011 pg. 293-295)
Gerard Rinsma
|
Januari 2012 |
 |
Van harte
zeg ik dank voor alle vriendelijke groeten met kerst en het
nieuwe jaar.
Alle mooie
post met goede wensen, die we hebben mogen ontvangen, heeft
ons goed gedaan.
En allen die
we in het nieuwe jaar nog niet gesproken en een hand gegeven
hebben, wensen wij
langs deze weg alle goeds voor het net begonnen jaar.
In december
was het 25 jaar geleden dat ik als predikant bevestigd werd
in het ambt.
Een moment
om toch even bij stil te staan. De kerkenraad wist mij die dag te verrassen met een
fleurig boeket. En hartverwarmend waren evenzeer ook al de
groeten en blijken van waardering vanuit de gemeente voor
mijn predikantschap.
Ook namens
mijn vrouw Ulrike heel veel dank ervoor.
IMAGO-SCHADE
De
Limburger
kleurde op zaterdag 17 december haar voorpagina in het zwart
en schreef met koeienletters erboven: Schade en schande. Het
rapport Deetman heeft vlak voor kerst het misbruik van de kerk in kaart gebracht.
10.000-20.000 slachtoffers van katholieke geestelijken, 800
tot 1000 daders, waarvan 105 nog in leven. En dat niet
alleen, ook kwam aan het licht dat de kerk al die jaren wist
van het misbruik.
In mijn
kerstpreek heb ik erop gewezen dat wij als protestanten in
het zuiden niet aan die schade zullen ontkomen. Door de
buitenwacht worden we allemaal op één hoop gegooid, zoals
mensen na de oorlog geen onderscheid maakten tussen ‘goede
en slechte
duisters’.
Het is
natuurlijk waar dat een democratische kerkstructuur veel
minder kansen biedt voor zulke uitwassen dan een
hiërarchische structuur met totalitaire trekken. Want waar
effectieve controle ontbreekt, kan macht gemakkelijk
gecorrumpeerd raken, zoals blijkt uit dit onderzoek van
Deetman.
PROFETISCH
PROTEST
In die
zin is er niets nieuws onder de zon, en de cie. Deetman
voegt er aan toe dat er in de onderzochte jaren ook op
andere plekken in de samenleving misbruik van kinderen werd
gemaakt. Maar dat pleit niemand vrij en zeker niet een kerk.
Juist een kerk zou beter moeten weten, als zij zich bewust
is van haar eigen roeping. Juist de kerk bewaart het
getuigenis
van de profeten,
die het opnamen tegen het ‘bevoegde’ gezag. Mozes tegen de
farao van Egypte, de profeet Samuël tegen koning Saul, de
profeet Nathan tegen de messiaanse koning David (Gij zijt
die man!), de profeet Elia tegen koning Achab (hebt gij
gemoord?) de profeet Jesaja tegen koning Achaz en in
diezelfde lijn eeuwen later Johannes de Doper tegen koning
Herodes en Jezus van Nazareth tegen de farizeeën en
sadduceeën.
De
profeten herinnerden de koning aan hun taak, hun
roeping, hun heilige opdracht en het feit dat hun getuigenis
in de bijbel is opgenomen laat zien hoeveel waarde latere
generaties aan hun kritiek hebben gehecht.
Maar
misschien ligt daar ook wel mijn zorg voor de kerk nu - niet
zozeer de katholieke, als wel de protestantse kerk. Nu alle
aandacht gericht is om als kerk in Nederland te overleven,
raken we steeds meer naar binnen gericht en dreigen we de
samenleving uit het oog te verliezen.
Maar dan
zijn het de vluchtelingen, die ons herinneren aan de wereld
daarbuiten. Hun verhalen getuigen van een hardvochtigheid,
die niet past bij een beschaafd land als Nederland. En
gelukkig klinkt er dan vanuit de kerk toch een ‘klein’
profetisch protest. Scriba
Arjan stelde op een symposium,
'Bekeerd, maar geen veilige plek' dat op 16 januari
plaatsvond op initiatief van Kerk in Actie en het Platform
Christen Asielzoekers Iran (PCAI) onlangs dat
"een beschaafd land onderdak behoort te verschaffen aan mensen die
worden onderdrukt vanwege hun geloof." Hij had zelf
Iraniërs ontmoet die christen zijn geworden.
"Het ging om mensen
die een God van liefde hadden ontmoet," aldus
Plaisier. "Ik was
verbaasd dat de Immigratie en Naturalisatiedienst hun
bekeringsverhaal niet authentiek noemde. Ik hoop, zo
zei hij,
dat dit symposium een
bijdrage levert om deze mensen als kerk te ondersteunen,
want zij nemen een groot risico en vertolken op die manier
de stem van Christus”.
Tijdens dit symposium stond met name de situatie centraal
van Iraanse asielzoekers die christen zijn geworden, maar
ook de positie van christenen uit andere landen van herkomst
kwam aan de orde. Volgens de voorzitter van het PCAI, Kees
Brinkman, miskent de Nederlandse overheid dat christelijke
asielzoekers in hun land van herkomst vaak aan gevaren
blootstaan. "De
voortdurende angst en de risico’s bij het deelnemen aan
erediensten worden door minister Leers gebagatelliseerd.
Hoewel hij stelt dat van bekeerlingen niet wordt gevraagd
dat zij hun geloof verborgen houden in het land van
herkomst, gebeurt dat in de
praktijk wel degelijk. De minister meent
dat christenen in Iran hun religie 'low profile' moeten
houden, willen ze geen problemen krijgen. Maar wat is low
profile als zelfs besloten vieringen in huiskamers in Iran
verboden zijn en overvallen worden?"
En in de slotverklaring staat te lezen dat de
Nederlandse overheid vervolging vanwege religie onvoldoende
serieus neemt in het asielbeleid. Want zo zei Doris Peschke,
directeur van de Kerkelijke Commissie voor Migranten in Europa,
"het is een
fundamenteel recht van mensen om zich tot een andere religie
te bekeren en om dat geloof te beleven. "De beleving
van de christelijke religie is nooit alleen
een privéaangelegenheid, het gaat ook om een kerkelijke
gemeenschap. Dat is een van de redenen dat er
kerken zijn.
Volgens dominee Massud, voorganger
van de Perzische Kores-kerk waarbij veel
christelijke asielzoekers zich aansluiten, zit zo'n tachtig
procent van de leden tijdens de
asielprocedure ten onrechte vast. Volgens hem deelt de IND
persoonlijke gegevens met de Iraanse ambassade, waardoor
mensen als ze worden uitgewezen meer gevaar lopen.
De slotverklaring van het symposium roept de Immigratie en
Naturalisatiedienst (IND) ertoe op om meer samen te werken
met kerken. Het advies aan de minister van Immigratie en
Asiel is om hierop beleid te ontwikkelen. (bron:
www.pkn.nl)
Gerard
Rinsma

|
Preek gemist?
Mocht u belangstelling hebben voor de
preek van de afgelopen zondag, dan kunt u deze op
verzoek per mail ontvangen. Zie voor details in het menu
"over de diensten"
Brood en Wijn
Uitleg over het Avondmaal voor
kinderen: Zie de pagina
kindernevendienst. |
|