Start Contact Gastenboek
Protestantse Gemeente Roermond
 
Persoonlijk  ds. Gerard Rinsma
 Nieuws
Omhoog
Persoonlijk
Preken

 

 


 

 

 

 

 

Mei 2012

Ik was wel eens eerder in Venetië geweest. Maar dan altijd maar voor een dag, waarbij je dan alleen tijd hebt voor de toeristische attracties zoals met de Vaporetto over het Canal Grand naar het San Marcoplein. Dit keer had ik meer tijd om Venetië te bekijken. En natuurlijk ook de prachtige kerken, die je dan daar zomaar tussen de slootjes op een pleintje aantreft. Maar toen ik de reusachtige San Giacomo en Paolo binnenging, zag ik in een linkernis een bronzen borstbeeld. Van een man met een heel gewoon, vol rond gezicht. En toen ik het Italiaans ontcijferd had, begreep ik dat dit een gedenkmonument was voor Angelo Giuseppo Roncalli, die later bekend zou worden als paus Johannes XXIII.

Maar, zo vroeg ik aan de beheerder, het graf van deze paus was toch in de Sint Pieter in Rome? In gebroken engels antwoordde hij dat dat juist was, maar daarvóór was Paus Johannes XXIII als Giuseppo Roncalli Patriarch van Venetië was geweest. En hij wees op de kaarsjes. “En nog steeds niet vergeten.”

Hoewel ik te klein was om het bewust te hebben meegemaakt, herinnerde ik me wel ooit een preek van ds. Buskes over deze paus te hebben gelezen: Johannes, de eerste paus voor wie ik gebeden heb. (Droom en Protest, pg. 46) Als rechtgeaarde protestant schrijft Buskes:
Al het verzet van ons protestanten tegen de rooms-katholieke kerk wordt concreet in onze weerstand tegen de figuur van de paus, een mens met de pretentie de stedehouder van Christus op aarde te zijn. Dat vinden wij onaanvaardbaar en onverdraaglijk. ( …)

Maar toen kwam paus Johannes en met hem werd alles anders.
Hem heb ik nooit een pretentie verweten, omdat hij geen pretenties had en tot ons kwam als een volgeling van Jezus, die niet gekomen is om gediend te worden, maar om te dienen.
Ja, hij was paus, maar we hoorden de stem van de Goede Herder. Hij heeft ons in zijn woorden en daden laten zien, wat geloven en kerk zijn betekenen... ik weet het... stil maar... de rooms-katholieke kerk... maar dan toch de kerk... de kerk van Christus!

Zo kwam ik tot de verootmoedigende en tegelijkertijd bemoedigende ontdekking, dat ik mij vergist had. Het was ongeloof, dat ik de rooms-katholieke kerk had afgeschreven. Paus Johannes heeft mij doen beseffen, dat het Woord van God zich niet in boeien laat slaan. Het Woord van God functioneerde in dit leven en via dit leven op het Concilie en via het Concilie in de roomse kerk. Dit is voor mij als protestant geen reden tot teleurstelling, maar een reden tot vreugde en dankbaarheid.

In 1963 bezocht ik Rome voor de tweede keer, natuurlijk ook om Rome te zien, maar toch vooral om paus Johannes te zien en te horen. Hij was de eerste paus voor wie ik gebeden heb. Ik heb hem gezien en gehoord. In de Sint Pieter. De wekelijkse samenkomst voor de buitenlanders. Er waren er enkele duizenden. Paus Johannes sprak ons toe in het Frans met die milde humor die hem eigen was. Hij begon met te zeggen, dat hij het als een voor¬recht beschouwde ons te ontvangen 'als, zoals ze zeggen de vader, je, zou zo langzamerhand zeggen de grootvader, van heel de chris¬tenheid' . Zeer persoonlijke woorden sprak de paus tot de aanwezige christenen, die niet tot de roomse kerk behoorden, de fratres separati, toch samen met de roomse christenen fratres in Domino.

Wat ik met enkele herinneringen aan deze pastor bonus bedoel? Het aansteken van een kaars voor paus Johannes XXIII. Hem gedenk ik met eerbied en verwachting.
En dat heb ik toen ook maar gedaan. In die grote kerk in het hart van Venetië, waar hij ooit gewoon pastor was geweest. En als paus ook daarna was gebleven. En zo bij velen binnen en buiten de RK kerk hoop had gewekt op een vernieuwing. Nu precies vijftig jaar geleden riep hij totaal onverwacht een concilie bijeen, waarbij voor het eerst ook vertegenwoordigers van andere christelijke kerken waren uitgenodigd. Een concilie dat de deuren van de kerk openzette om het bij de tijd te brengen (aggiornamento).

Of zoals één van de gereformeerde waarnemers schreef: Paus Johannes wilde geen restauratie, maar vernieuwing en aanvaarding van de uitdagingen van de nieuwe tijd. Hij wenste — met alle respect voor de traditie — geen traditionalisme, dat zich beperkte tot herhaling van de oude leer in haar boventijdelijke waarheid. Hij wilde, dat de kerk schuil¬plaats zou blijven voor modern mensen, die met hun vragen klopten aan de deur van de kerk en om een antwoord vroegen. Hij wilde een andere, betere weg aanwijzen, waarop „de bruid van Christus in onze tijd zich liever bedient van het medicijn der barmhartigheid dan van het wapen der gestrengheid".

In het handelen van de kerk moest zichtbaar worden, dat zij het woord van het evangelie had verstaan, dat God Zijn Zoon niet gezonden had om de wereld te veroordelen, maar om haar te behouden (Joh. 3 : 17), een woord, dat Johannes meermalen heeft geciteerd en zijn uitspraak over „het medi¬cijn der barmhartigheid" hangt daarmee ten nauwste samen. Het evangelie is er vol van, van die innerlijke barmhartigheid tegenover de schapen, die geen herder hadden. Hij wilde de indruk wegnemen, dat het in de kerk zou gaan om een kille bejegening van dwalenden en anders-denkenden, m.a.w. dat de kerk pastoraal — als een herder — zou zijn of — in een wisseling van de beeldspraak — als een medicus, die na een serieuze diagnose het medi¬cijn toereikt, het medicijn van... de barmhartigheid. De formulering is verrassend en men denkt bij reacties van de kerk tegenover dwalingen meestal allereerst aan ,handhaving" van de leer der waarheid, tucht, de opgeheven vinger, en niet aan de barmhartigheid. Toch durfde Johannes zo spreken over de kerk. (C.G. Berkouwer, Zoeken en vinden pg. 375)

Maar nu vijftig jaar later vraag ik me af waarom het nu in de R.K. kerk zo oorverdovend stil is, alsof er nooit een tweede Vaticaans concilie is geweest. Want als er ooit een moment is geweest, waarop de geest van Pinksteren de kerk bezield heeft, dan toch wel toen.

Gerard Rinsma

April 2012

In de aanloop naar Pasen merk ik dat ik uitkijk naar de zon en geniet van de vogels in onze tuin. Woensdag begint officieel de lente en schudt de wereld wakker uit haar winterslaap.
Maar het lijkt voor mij alsof die lente aan de kerk voorbij gaat. Met elke zondag komen we juist dichter bij Jeruzalem en het drama, dat zich daar heeft afgespeeld. Net zo in tegenspraak, als toen op 10 mei 1940 de natuur in volle bloei stond. Of zijn er toch verbindingen te leggen tussen lente en Pasen?

ALS DE LENTE KOMT, DAN...

In een postuum verschenen boekje schrijft prof. Kune Biezeveld daarover: Het was ook voorjaar. Er kwamen ook kaarten waarin de hoop werd uitgesproken dat ik ondanks alles kon genieten van de prachtige bloemen en de al wat uitlopende boom-knoppen. Daar kon ik inderdaad van genieten: van de lente in al haar beloftevol en ook kwetsbare ontluiken. Het hoort bij de cyclus van de seizoenen en daarmee bij het ritme van de natuur dat het leven ordent. Geen jaar is voorbijgegaan zonder dat ik zong en liet zingen:

'Ga uit, o mens, en zoek uw vreugd,
nu in de lente zich verheugt
al wat er leeft op aarde!
De gaarden zijn op 't schoonst gesierd,
opdat gij 't lieve leven viert,
dat God u openbaarde.' (Gezang 425:1)

Ja, in vers 7 wordt zelfs gezongen over een lentelijk festijn in Jezus' lusthof…. Mogen we inderdaad een stap verder gaan en zeggen dat er een relatie bestaat tussen Pasen en de lente? Was Pasen niet van oorsprong een lentefeest?
In de traditie van de kerk blijkt het bij de verbinding tus¬sen Pasen en de lente ook inderdaad om meer dan een toe¬valligheid te gaan en ik zie niet waarom dat een heidense rest zou zijn. Symbolen die hoorden bij de oudere natuurfeesten, zoals het lam en het brood, kregen in de Pesachviering een nieu¬we betekenis, die ook in de christelijke viering gehandhaafd bleef. En op sommige plaatsen wordt tot op de dag van vandaag de paaskaars ontstoken aan het voorchristelijke paasvuur. Ook het ei als teken van de ontwakende natuur kon tot een christelijk symbool worden: Christus die uit het graf verrijst zoals een kuiken uit het ei kruipt. Soms werd het graf van Christus eivormig afgebeeld. In paasliederen worden onder meer beelden aan de lente ontleend. Pasen wordt vergeleken met de lente die de natuur weer tot leven brengt (Liedboek voor de kerken: Gezang 202, 209, 210).
Oeroude lentesymbolen werden dus tot christelijke sym¬bolen. Daarbij ging het echter om meer dan het kerstenen van wat natuursymbolen. Al vroeg zag men de lente ook als getijde waarin de wereld zou zijn geschapen. Zo brengt de lente Pasen en de schepping bij elkaar en door nog een extra stap te zetten kon Christus' opstanding gezien wor¬den als een nieuw begin van de schepping. In de Paasnacht werd en wordt het scheppingsverhaal gelezen! Op de eerste dag riep God het licht, zoals op de eerste dag van de week Christus ook als het licht verschijnt.

PASEN ALS KWETSBARE BELOFTE

Dit alles voert me tot de gedachte dat Pasen het feest van een belofte is, zoals de lente het seizoen van de verwach¬tingen.
'Keerde de Heer der schepping weer, dan is het te¬vergeefs niet meer te bloeien en te minnen' (Gezang 210:3).
Eens komt de grote zomer, maar wij die van Pasen weten, leven in de lente, waarin een knop kan openbreken, maar ook nog kan bevriezen — we leven in de kwetsbare lente. Vrij naar Adriaan Roland Holst: laten we maar niet te trotse, te grote woorden spreken — hoeveel harten moesten daar¬om breken?
Over 'dood, waar is uw schrik gebleven' las ik ergens dat het spottende woorden zijn, om net te doen of je niet bang bent voor de dood. Dat trof me. Bij dat kwets¬bare van de lente past beter deze strofe van Willem Barnard (Gezang 223:2):

Gods goedheid is te groot
voor het geluk alleen,
zij gaat in alle nood
door heel het leven heen.

De hoop en het vertrouwen dat God meegaat, als een ze¬gen, dat God je draagt en je bijstaat — die beide ontleen ik aan de belofte die Pasen inhoudt.’
En over die belofte zegt Biezeveld: ‘Wat wel wonderlijk is trouwens: in onze tijd schijnt op¬eens iedereen in een leven na de dood te geloven. Of nog sterker: velen geloven dat je eigenlijk helemaal niet dood gaat. Overledenen kijken misschien wel vanaf een wolk of vanuit de hemel naar beneden en volgen alles wat er hier met ons gebeurt. Of je gaat op in een bron van energie waarmee contact te houden is met de levenden op aarde. Soms krijg je het gevoel dat hoe weerbarstiger de voorstel¬ling van de opstanding voor christenen is, hoe vanzelfspre¬kender voor anderen. Dit lijkt me toch de ontkenning van het echte, natuurlijke doodgaan. Of klopt het weer met de graankorrel die moet sterven om op te staan?
Maar over opstanding zeg ik toch graag eerst iets an¬ders, iets voor in het aardse leven zelf. Als wij met Christus zijn gestorven en opgestaan, in de doop, dan is Pasen toch in eerste instantie de roep om een gekwalificeerd nieuw leven. Dat wij hoopvol leven en dingen doen die daarbij horen, verrassende, vastgelopen situaties doorbrekende dingen. Om van daaruit te zeggen dat wij in de confronta¬tie met de eindigheid van ons bestaan alles, ook dat einde, toevertrouwen aan God.
Eerder had ik het over kaarten die ik ontving tijdens mijn ziekte. Eén ervan raakte me op dat punt van die kwetsbare lente. Er stond een gedicht op, geschreven en gestuurd door mijn Utrechtse collega Corja Menken-Bekius. Laten we niet meer zeggen dat het voorjaar geen taal kan leveren om het diepste te verwoorden en zo zelf in beeldtaal bron van kracht kan zijn.
Vertrouwen

Ik zie haar eerste bloei
nog op het kale hout
en vraag bezorgd
vanwaar die vroege groei
de nachten nog zo koud
de boom zegt niets
maar bloeit mij aan
alsof haar zachte kracht
de strengste vorsten zal weerstaan
ook deze nacht.

(Uit Kune Biezeveld, als scherven spreken, over God in het leven van alledag, Meinema 2008, pg. 118 vv.)

Gerard Rinsma

Maart 2012

Ik was onlangs op bezoek bij een oud-collega. Hij is bijna 100, maar nog heel helder en we raakten in gesprek over het verleden. Hij vertelde dat hij in het voorjaar van 1940 predikant was geworden. Direct na zijn kerkelijk examen stond een legerpredikant bij hem op de stoep, die dringend iemand zocht.

En zo was hij naar een klein plaatsje in Twente vlak bij de Duitse grens verhuisd om daar de zaak waar te nemen. “Ik was daar een maand of twee of drie”, zo vertelde hij, “en toen brak de oorlog uit, de Duitsers trokken massaal door ons dorp heen; allemaal vrachtwagens, die naar het Westen gingen. Ik zou die dag een begrafenis moeten hebben, maar ja, dat kon niet, want de weg was versperd, waardoor alles in de soep liep; dat heeft één of twee dagen geduurd, want de volgende dag was het ook nog allemaal colonnes. En toen ik die begrafenis had, dat was op die middag, toen kwamen er alsmaar vliegtuigen van uit het westen naar het oosten. Toen bleek dat de Duisters Rotterdam gebombardeerd hadden en terugkeerden. Dat was een rot begin. En daar heb ik ook een vrouw moeten zeggen dat haar man gesneuveld is. Dus ik werd er meteen goed in gegooid.”

Maar toen ik hem vroeg hoe hij terugkeek op zijn werk, zei hij tot mijn verbazing, dat hij zijn leven toch eigenlijk als mislukt zag. “Want,” zei hij, “ik ben in het calvinistisch spoor gezet , waarin je eerst echt meegaat, maar gaandeweg stuit je op allerlei dingen, die je doen twijfelen. Op een gegeven moment zo erg dat je zegt : ik heb het toch eigenlijk voor niks gedaan.”
“Voor niks?”, vroeg ik verbaasd? “Ja”, antwoordde hij, “ik heb aan de verkeerde zaak gewerkt. Ik had beter filosoof kunnen zijn. Want van de dingen, waar ik oorspronkelijk wel achter stond, heb ik nu ontdekt, dat het toch eigenlijk zuiver filosofie is, maar geen religie in de echte zin. En als ik mijn eigen leven nu overzie, is het eigenlijk verdrietig wat ik gedaan heb, om het heel sterk te zeggen: het is nep ge-weest.”

Wanneer hij dan was gaan twijfelen, wilde ik weten. Hij vertelde dat dat begonnen was bij die bekende tekst uit het Mattheüs-evangelie, dat er geen mus ter aarde zal vallen zonder de wil van uw Vader. (Mattheüs 10:29)
“Maar”, zei ik, “dat staat er toch helemaal niet! Er staat toch alleen: zonder uw Vader?” “Ja”, zei hij, “maar die tekst is altijd gelezen door de bril van de Catechismus. Die leerde dat alle dingen, niet bij geval, maar van Zijn Vaderlijke hand ons toekomen. Dus daar ging je vanuit, daar werd over gepreekt en dat vond je letterlijk weer terug in die oude begrafenisformule: ‘Daar het de almachtige God behaagd heeft om onze broeder en zuster uit ons midden weg te nemen.’ Maar als iemand zich dronken drinkt en daarna zich tegen een boom zich dood rijdt, ik wist niet of dat de wil van God was, dus ik heb die begrafenisformule ook maar snel veranderd. Maar door die gedachte dat het Gods wil is”, zei hij, “zijn wel veel mensen de loop der tijden in diepe ellende gestort.”

EEN VROUW VAN SMARTEN
Toen ik dit zondag 5 februari in de preek vertelde, maakte ik daarna een overgang naar de schriftlezing uit het Oude Testament Het verhaal van de sunamitische vrouw, die van de profeet Elisa een kind beloofd krijgt. (1 Koningen 4:8-30). Een ongelooflijk spannend verhaal, omdat het kind, eenmaal groot, ziek wordt thuis gebracht en vervolgens op haar knieën sterft. Het maakt van deze sunamitische vrouw van het éne op het andere moment een vrouw van smarten. En het werd akelig actueel, toen ik van het ski-ongeluk van prins Johan Friso hoorde. Op dit moment is het nog helemaal onzeker hoe groot de kans is dat de prins zal herstellen, maar zeker is wel, dat het van onze koningin een vergelijkbare vrouw van smarten heeft gemaakt.

Want, schrijft prof. Heitink in zijn boek De Golfslag van de Tijd: ‘de plotselinge dood van een kind, is voor mijn besef het ergste wat ouders kan overkomen.’

Heitink spreekt uit eigen ervaring; ook hij verloor een kind: ‘een volwassen zoon in ons geval.Tot hier gevorderd moest ik mijn werk aan dit boek voor een tijdje onderbreken als gevolg van een dieptragische gebeurtenis in ons gezin, de dood van onze zoon. Op zo'n moment staat alles stil en het kost veel moeite de draad van het leven weer op te pakken. Waarom ik dit’, zegt Heitink ‘in sobere bewoordingen vermeld? Alle theologie is tevens biografie. Het kan niet anders dan dat zo'n groot ver-driet zijn impact heeft op wat ik hierna schrijf. Wat ons gezin is overkomen, speelde zich af midden in deze hoofdstukken over het Verlangen naar God, uitgerekend op het moment dat ik zou moeten schrijven over God en het lijden. Hoe kan God dit toela-ten?, luidde de geplande titel.

HOE KAN GOD DIT TOELATEN?,
‘Geen goede vraag’, schrijft Heitink. ‘Laat ik eerlijk zijn, bij wat ons is overkomen heeft deze vraag geen rol ge¬speeld. Ik heb geen enkele reden om God hiervan een verwijt te maken. Wij leven in een ge¬broken wereld, een risicosamenleving waarin zulke dingen helaas kunnen gebeuren. Dit kan iedereen treffen. Het is in mijn ogen geen ingreep, laat staan een straf van God.’

‘Ik ben me ervan bewust’, schrijft hij verder, ‘dat ik hiermee afwijk van de klassieke leer van Gods voorzienigheid, die - althans in haar populaire versie - stelt dat alles wat mensen overkomt uit Gods vaderlijke hand ons toevalt. In dat geval mogen we in elke gebeurtenis de hand van God zien.’ Heitink legt uit: ‘Deze beeldvorming paste binnen een kosmische orde die heel de wereld om¬sloot. Het zijn woorden die blijk geven van een toen sterk ervaren afhankelijkheid. Mensen konden nog geen enkele tegenweer bieden tegen ziekten, armoede, lijden en dood. Zij vonden troost in deze verbeelding.

Maar’, zo vervolgt hij ‘ons moderne mensbeeld wordt eerder gekleurd door verantwoordelijk¬heid. De mens als partner van God heeft ondermeer de opdracht dergelijk onheil zoveel mogelijk te voorkomen. We zien hoe mensen dagelijks in een auto stappen of het vliegtuig nemen, dat hoort bij de verworvenheden van de mobiliteit, maar het betekent ook dat mensen dagelijks aan gevaren blootstaan. We beoefenen sporten die met ongelukken gepaard gaan. We leven in een veeleisende samenleving, waarin helaas niet iedereen tegen het leven opgewassen is. In zo'n wereld proberen christen en humanist, vanuit hun eigen overtuiging, het goede voor de ander te zoeken en het kwaad waar mogelijk af te weren. We hebben in elk opzicht veel bereikt, maar we blijven desondanks kwetsbare mensen.

‘Kunnen we dan geen enkel beroep op God meer doen?’ vraagt hij zich af. ‘Gelukkig wel, maar dan realiseren we ons tegelijk hoezeer voor christenen van na de Ver¬lichting het beeld van God ingrijpend veranderd is. Ik’, zegt Heitink, ‘kan dit het beste il-lustreren aan de hand van de bekende theoloog Dietrich Bonhoeffer (1906¬1945), die gevangen genomen door de nazi's en met de dood voor ogen in zijn dagboeken over deze ingrijpende vragen heeft nagedacht.

ALLEEN DE LIJDENDE GOD KAN HELPEN.
In het gedicht Christen en heiden, gedateerd juli 1944, lezen we heel zijn theologie in een notendop. Het omvat drie coupletten:

Mensen gaan naar God toe in hun nood,
smeken om hulp, vragen om voorspoed,
brood, redding uit ziekte, verlossing uit schuld en dood.
Zo doet elk mens, christen en heiden.

Mensen gaan naar God toe in zijn nood,
vinden Hem arm, gehoond, geen onderdak, geen brood,
zien Hem verslonden door zonde, zwakte en dood.
Een christen staat naast God in al zijn lijden.

God gaat tot alle mensen in hun nood,
verzadigt lijven en zielen met zijn brood,
lijdt voor christen en heiden aan 't kruis de dood,
en vergeeft ze beiden.

Bonhoeffer beschrijft hier allereerst de weg van alle religie. Waarom geloven mensen in God? Omdat we Hem kunnen aanroepen als we Hem nodig hebben. Nood leert bidden. Daar is natuurlijk niets tegen. Christenen en heidenen zitten wat dat betreft in hetzelfde schuitje. Maar een christen gaat een stap verder. Bonhoeffer voorziet het einde van de Almachtige God.
God is anders, stelt hij in het tweede couplet, of zoals hij elders schrijft: 'De bijbel verwijst de mens naar Gods onmacht en lijden; alleen de lijdende God kan ons helpen'. Wij hebben God leren kennen in de gestalte van de Gekruisigde.

God lijdt aan deze wereld en wij mensen worden opgeroepen zijn lijden aan deze we-reld mee te lijden. God vraagt van ons, zoals Jezus aan zijn discipelen in de hof van Gethsemane: Kunnen jullie niet één uur met mij waken? Zo schreef Bonhoeffer de paradoxale zin: 'De God die met ons is, is de God die ons verlaat." Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten?, vroeg zelfs Jezus zich af. Alleen zó is Hij ons nabij. Met deze God moeten mensen het wagen. Hij is de God die in Christus zwak wordt en in zijn zwakheid laat zien dat hij machtig is.

Waar de kracht van de mens het laat afweten, daar is God genadig aan¬wezig. Dat is bepalend voor ons leven als mondige mensen, midden in deze wereld. Dat heet christelijk geloof. Zo schrijft hij in deze zelfde dagen: “je wordt geen christen door religieus te handelen, maar door, levend in de wereld, te delen in Gods lijden." Daarover gaat het derde couplet. Op deze wijze over God spreken kan lijken op een uitvlucht, maar voor een gelovige blijft God een toevlucht.

Bonhoeffer’, schrijft Heitink, ‘had geen makkelijk praten. Hij worstelde met deze vragen met de dood voor ogen. Maar hij wist zich 'door goede machten trouw en stil omgeven, behoed, getroost, zo wonderlijk en klaar...' (Gez. 398,1). Dit is een andere wijze van spreken over God. Als er één is die weet wat het betekent een kind te verliezen, dan is het God wel. juist in hun lijden wil hij mensen nabij zijn. Hij lijdt met ons mee.’

En dat laatste wens ik de koningin, heel de Koninklijke familie, maar ook alle andere, die het dierbaarste in hun leven verloren hebben, van harte toe.
(bron: Gerben Heitink Golfslag van de tijd, Europa’s niet te stillen verlangen naar God, Utrecht 2011 pg. 293-295)

Gerard Rinsma

Januari 2012

Van harte zeg ik dank voor alle vriendelijke groeten met kerst en het nieuwe jaar.

Alle mooie post met goede wensen, die we hebben mogen ontvangen, heeft ons goed gedaan.

En allen die we in het nieuwe jaar nog niet gesproken en een hand gegeven hebben, wensen wij  langs deze weg alle goeds voor het net begonnen jaar.

In december was het 25 jaar geleden dat ik als predikant bevestigd werd in het ambt.

Een moment om toch even bij stil te staan. De kerkenraad wist mij die dag te verrassen met een fleurig boeket. En hartverwarmend waren evenzeer ook al de groeten en blijken van waardering vanuit de gemeente voor mijn predikantschap.

Ook namens mijn vrouw Ulrike heel veel dank ervoor.

IMAGO-SCHADE

De Limburger kleurde op zaterdag 17 december haar voorpagina in het zwart en schreef met koeienletters erboven: Schade en schande. Het rapport Deetman heeft vlak voor kerst het misbruik van de kerk in kaart gebracht. 10.000-20.000 slachtoffers van katholieke geestelijken, 800 tot 1000 daders, waarvan 105 nog in leven. En dat niet alleen, ook kwam aan het licht dat de kerk al die jaren wist van het misbruik.

         In mijn kerstpreek heb ik erop gewezen dat wij als protestanten in het zuiden niet aan die schade zullen ontkomen. Door de buitenwacht worden we allemaal op één hoop gegooid, zoals mensen na de oorlog geen onderscheid maakten tussen ‘goede en slechte  duisters’.

Het is natuurlijk waar dat een democratische kerkstructuur veel minder kansen biedt voor zulke uitwassen dan een hiërarchische structuur met totalitaire trekken. Want waar effectieve controle ontbreekt, kan macht gemakkelijk gecorrumpeerd raken, zoals blijkt uit dit onderzoek van Deetman.

 PROFETISCH PROTEST

         In die zin is er niets nieuws onder de zon, en de cie. Deetman voegt er aan toe dat er in de onderzochte jaren ook op andere plekken in de samenleving misbruik van kinderen werd gemaakt. Maar dat pleit niemand vrij en zeker niet een kerk. Juist een kerk zou beter moeten weten, als zij zich bewust is van haar eigen roeping. Juist de kerk bewaart het getuigenis van de profeten, die het opnamen tegen het ‘bevoegde’ gezag. Mozes tegen de farao van Egypte, de profeet Samuël tegen koning Saul, de profeet Nathan tegen de messiaanse koning David (Gij zijt die man!), de profeet Elia tegen koning Achab (hebt gij gemoord?) de profeet Jesaja tegen koning Achaz en in diezelfde lijn eeuwen later Johannes de Doper tegen koning Herodes en Jezus van Nazareth tegen de farizeeën en sadduceeën.

De  profeten herinnerden de koning aan hun taak, hun roeping, hun heilige opdracht en het feit dat hun getuigenis in de bijbel is opgenomen laat zien hoeveel waarde latere generaties aan hun kritiek hebben gehecht.

         Maar misschien ligt daar ook wel mijn zorg voor de kerk nu - niet zozeer de katholieke, als wel de protestantse kerk. Nu alle aandacht gericht is om als kerk in Nederland te overleven, raken we steeds meer naar binnen gericht en dreigen we de samenleving uit het oog te verliezen.

Maar dan zijn het de vluchtelingen, die ons herinneren aan de wereld daarbuiten. Hun verhalen getuigen van een hardvochtigheid, die niet past bij een beschaafd land als Nederland. En gelukkig klinkt er dan vanuit de kerk toch een ‘klein’ profetisch protest. Scriba Arjan stelde op een symposium,  'Bekeerd, maar geen veilige plek' dat op 16 januari plaatsvond op initiatief van Kerk in Actie en het Platform Christen Asielzoekers Iran (PCAI) onlangs dat "een beschaafd land onderdak behoort te verschaffen aan mensen die worden onderdrukt vanwege hun geloof." Hij had zelf Iraniërs ontmoet die christen zijn geworden. "Het ging om mensen die een God van liefde hadden ontmoet," aldus Plaisier. "Ik was verbaasd dat de Immigratie en Naturalisatiedienst hun bekeringsverhaal niet authentiek noemde. Ik hoop, zo zei hij,  dat dit symposium een bijdrage levert om deze mensen als kerk te ondersteunen, want zij nemen een groot risico en vertolken op die manier de stem van Christus”.

Tijdens dit symposium stond met name de situatie centraal van Iraanse asielzoekers die christen zijn geworden, maar ook de positie van christenen uit andere landen van herkomst kwam aan de orde. Volgens de voorzitter van het PCAI, Kees Brinkman, miskent de Nederlandse overheid dat christelijke asielzoekers in hun land van herkomst vaak aan gevaren blootstaan. "De voortdurende angst en de risico’s bij het deelnemen aan erediensten worden door minister Leers gebagatelliseerd. Hoewel hij stelt dat van bekeerlingen niet wordt gevraagd dat zij hun geloof verborgen houden in het land van herkomst, gebeurt dat in de praktijk wel degelijk. De minister meent dat christenen in Iran hun religie 'low profile' moeten houden, willen ze geen problemen krijgen. Maar wat is low profile als zelfs besloten vieringen in huiskamers in Iran verboden zijn en overvallen worden?"
En in de slotverklaring staat te lezen dat de Nederlandse overheid vervolging vanwege religie onvoldoende serieus neemt in het asielbeleid. Want zo zei Doris Peschke, directeur van de Kerkelijke Commissie voor Migranten in Europa, "het is een fundamenteel recht van mensen om zich tot een andere religie te bekeren en om dat geloof te beleven. "De beleving van de christelijke religie is nooit alleen een privéaangelegenheid, het gaat ook om een kerkelijke gemeenschap. Dat is een van de redenen dat er kerken zijn.
         Volgens dominee Massud, voorganger van de Perzische Kores-kerk waarbij veel christelijke asielzoekers zich aansluiten, zit zo'n tachtig procent van de leden tijdens de asielprocedure ten onrechte vast. Volgens hem deelt de IND persoonlijke gegevens met de Iraanse ambassade, waardoor mensen als ze worden uitgewezen meer gevaar lopen.
De slotverklaring van het symposium roept de Immigratie en Naturalisatiedienst (IND) ertoe op om meer samen te werken met kerken. Het advies aan de minister van Immigratie en Asiel is om hierop beleid te ontwikkelen. (bron: www.pkn.nl)

Gerard Rinsma

 

 

Preek gemist?
Mocht u belangstelling hebben voor de preek van de afgelopen zondag, dan kunt u deze op verzoek per mail ontvangen. Zie voor details in het menu "over de diensten"

Brood en Wijn
Uitleg over het Avondmaal voor kinderen: Zie de pagina  kindernevendienst.

 


Volgende
 
Copyright 2006 www.protestantsegemeenteroermond.nl
website PVE:18-05-2012